Verslag Jongens/meisjes en gezinsvormen 21-01-2010

Er zijn drie vragen behandeld tijdens deze bijeenkomst:

  1. Welke vraagstukken spelen in de BSO?

  2. Hoe begeleiden we jongens en meisjes het beste?

  3. Pedagogische doelen?

  1. Welke vraagstukken spelen in de BSO?
    • Jongens komen minder tot hun recht dan meisjes in de groep. Er worden meer activiteiten aangeboden die meisjes interessant vinden en jongens worden eerder aangesproken, negatief, op druk en luidruchtig gedrag.
    • Vrouwelijke pedagogisch medewerkers hebben onvoldoende aansluiting met de jongens.
    • Lastig groepsgedrag van jongens is soms moeilijk te hanteren (zoals elkaar versterken in bijvoorbeeld brutaal zijn en niet meedoen).
    • Lastig groepsgedrag van meisjes is soms ook moeilijk te hanteren (zoals meisjes die de norm bepalen en daarmee anderen uitsluiten en daarover roddelen).
    • Hoe kun je als pedagogisch medewerker ertoe bijdragen niet mee te doen aan het versterken van stereotiep jongens- en meisjesgedrag? En hoe kun je aan de andere kant jongens en meisjes hierin de ruimte geven om experimenteren?
    • Hoe kun je als pedagogisch medewerker omgaan met een kind dat wordt uitgesloten door een jongens- of meisjesgroep, omdat het kind niet voldoet aan de eisen voor een echt jongen of meisje?
    • De maatschappij richt zich steeds meer op meisjes en vrouwen.
  2. Hoe begeleiden we jongens en meisjes het beste in de BSO?
    • Uit onderzoek blijkt dat typisch jongens- en meisjesgedrag sterker wordt in homogene groepen. Kinderen versterken elkaars gedrag. Vanaf 3 jaar is te zien dat kinderen een sterke voorkeur ontwikkelen voor spelen en het sluiten van vriendschappen met kinderen van de eigen sekse. Hierbij zijn zij op zoek naar rolmodellen. Zij zijn nog bezig met de beeldvorming en wat hoort bij jongen/meisje zijn. Jongens en meisjes hebben minder toegang tot mannelijke rolmodellen, omdat zij buitenshuis met name de zorg ontvangen van vrouwen. Voor jongens kan dit een probleem opleveren bij het construeren van een mannelijke identiteit. Het individuele gedrag is in feite minder verschillend dan wordt gedacht. De verschillen tussen meisjes onderling zijn vaak groter dan de verschillen tussen jongens en meisjes. Dit is ook van toepassing op jongens onderling.
    • De omgang met jongens en meisjes worden bepaald door normen en waarden, zowel de maatschappelijke als die binnen de BSO heersen.
    • Bewustzijn van hun sekse-identiteit betekent niet dat kinderen niet graag met elkaar spelen. Met een hele groep kunnen zijn plezier maken. Het lijkt erop dat er minder scheiding van sekse is dan  ca. 10 jaar geleden. Wel geeft het vertoeven in een groep met dezelfde seksegenoten veiligheid.
    • Culturele achtergrond speelt ook een grote rol. Hierin zijn contacten met ouders erg belangrijk.
  3. Pedagogische doelen
    • Pedagogische doel: gemengd spelen bevorderen?
      • in hoeverre moet de pedagogisch medewerker het gemengd samenspelen aansturen?
        Een deel van de groep geeft aan dat jongens en meisjes zelf mogen bepalen met wie zij spelen in hun vrije tijd. Als de voorkeur dan bij de eigen sekse ligt, is dat goed.
        Een ander deel van de groep vindt het wel belangrijk om te sturen. Op deze manier doen de jongens en meisjes ervaringen op waaruit kan blijken dat ze wel op een fijne manier kunnen samenspelen. Het sturen kan ook door het aanbod van activiteiten aan te passen. Activiteiten die zowel de jongens als de meisjes leuk vinden.
        Het gemengd spelen kan worden bevorderd als kinderen merken dat ze er niet om worden uitgelachen en als pedagogisch medewerker mis je verschillende kansen voor de sociale ontwikkeling van kinderen als je het niet zou bevorderen.
    • Pedagogische doel: buitensluiten tegengaan (een positieve groep bevorderen)
      • Jongens en meisjes die niet hetzelfde gedrag als de subgroep vertonen, worden vaak buitengesloten door seksegenoten. De deelnemers zijn het erover eens dat dit gedrag van buitensluiten bespreekbaar moet worden gemaakt in de groep. Net zoals het bespreekbaar maken van bijvoorbeeld pestgedrag. Dergelijke processen van populariteit, stoer gedrag en buitensluiten spelen bijna in elke groep. In het uiterste geval kunnen activiteiten voor de subgroepen scheiden, zodat de groepen zo min mogelijk last hebben van elkaar.
    • Pedagogische doel: seksestereotiep gedrag niet versterken
      • Een deel van de groep vindt dat het belangrijk is dat ieder kind zichzelf mag zijn en dat er best verschillen tussen kinderen mogen zijn. Het denken in stereotiep gedrag kan daarbij in de weg zitten. Als de omgeving de kinderen niet ondersteunt, kunnen zij zich daar zelf niet los van maken. Hierbij is een indeling in jongens- en meisjesgedrag niet verstandig. Men kan beter spreken van een sporthoek en een verkleedhoek i.p.v. voetballen tegenover met poppen spelen. Op deze manier worden er voor de kinderen geen onnodige drempels gecreëerd om van die hoeken gebruik te maken.
        Een ander deel van de groep ziet in deze benadering een nadeel. Namelijk dat een vrouwelijke pedagogisch medewerker de behoeften van een zich stereotiep gedragende jongen over het hoofd kan zien. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen beter in staat zijn om stereotiep meisjesgedrag te herkennen en ondersteunen en dit ook minder lastig vinden. Door niet of negatief in te gaan op stereotiep jongensgedrag kan dit eventueel leiden minder steun voor de identiteitsontwikkeling van jongens.
        Een tweede nadeel dat genoemd wordt, is dat men de volwassen normen te sterk neerleggen bij de kinderen. Op deze manier wordt hen geen vrijheid gelaten om uit te laten zoeken wie ze zijn. En daarbij hoort volgens hen seksespecifiek gedrag en elkaar opzoeken.

Enerzijds is er de discussie van erkenning van sekse-identiteitsvorming, anderzijds het tegengaan van het denken in en ondersteunen van stereotiep gedrag. Het project Pedagogisch Kader 0 -13 jaar, ‘Samen Verschillend’ wil bijdragen om deze discussie te verhelderen en onderbouwen, zodat ieder team voor zich daarin een benadering kan kiezen.