|
|
Verslag Sociaal-culturele en sociaal economische aspecten, 22-6-2010
Vraag: Wat hebben kinderen van diverse sociaal-culturele en sociaal-economische afkomst (specifiek/extra) nodig?
- Ondersteuning op tweetaligheid
Kinderen die thuis een andere moedertaal praten dan het Nederlands, kunnen bij de omschakeling naar het Nederlands wel ondersteuning gebruiken. Hoe zorg je ervoor als organisatie dat zij omschakelen naar het Nederlands en dat tegelijkertijd respect wordt getoond voor hun moedertaal? Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van VVE trajecten en andere taalmethodes – dit wat betreft het cognitieve aspect van de taal.
Aan de andere kant kan ook een medewerker die de moedertaal begrijpt worden ingezet om een brug te slaan tussen thuis en het kinderdagverblijf. Respect voor de moedertaal wordt getoond door het gedrag van de pm-er of door kleine verwijzingen naar die taal (bv een welkomszon in alle talen). Dit betreft het sociale aspect van de taal. Hier zijn verschillende opties voor en waar kies je voor als organisatie.
- Kinderen hebben ‘georganiseerde uitdaging’ nodig.
De gedachte was ooit dat als men de kinderen met elkaar in een groep plaatst, dan vanzelf het omgaan met diversiteit ontstaat. NEE: moet initiatief genomen worden. Alledaagse situaties gebruiken om uitdagingen aan te bieden aan kinderen. Op deze manier worden zij geprikkeld om de uitdaging aan te gaan.
- Deskundigheid bevorderen bij pedagogisch medewerkers, zodat zij beter de veiligheid bij kinderen kunnen creëren. Zij hebben ook deskundigheid nodig op het gebied van signaleren van kindermishandeling/verwaarlozing om met ouders in gesprek te gaan. Hierin het gevoel delen voor zowel het kind als de ouders als de medewerkers samen. Thuis is het wellicht niet veilig, maar deze veiligheid door in gesprek te gaan wel zien te creëren op het kindercentrum.
- Kwaliteit en partnerschap. Tijdens een intakegesprek aan ouders duidelijk maken dat zij zich welkom en veilig voelen. Dit is essentieel m.n. voor jonge kinderen en ouders. De opvoeding op school en thuis is anders. Waarom niet samen hierover in gesprek? Dus partnerschap. Geldt dit ook voor de BSO? De relatie tussen ouders en de BSO is gecompliceerder. In hoeverre ben je als kind veilig bij een pm-er? Worden ouders geïnformeerd over wat in vertrouwen door het kind aan de pm-er is verteld? Een ouder moet ook het gevoel hebben dat een BSO goed is, want dan is het kind ook tevreden.
- Agenda vraag 1 ‘Wat hebben kinderen nodig? omdraaien. Wat is er al? Wat hebben kinderen en ouders in huis, wat is hun cultureel kapitaal? En niet aanspreken op tekortkomingen en wat ouders niet kunnen. Dit biedt een bepaalde onveiligheid.
- Beleidsvisie. Het is een grote uitdaging om zo’n gezamenlijke beleidsvisie daadwerkelijk in de praktijk te brengen.
- Opleidingsniveau. Het zou wenselijk zijn om naast het opleidingsniveau MBO ook HBO niveau te hebben. Er is wel een ontwikkeling gaande van meer HBO-ers in de kinderopvang, maar de beweging is traag. Goede kwaliteit van de professional is belangrijk, want voor alle ouders geldt toch dat het belangrijkste in hun leven, grootste goed hun kinderen, daar rondlopen vanaf een jaar of twee.
Zowel voor punt 6 als 7 geldt dat als de thema’s kwaliteit en segregatie hier serieus in worden verwerkt, dit kan bijdragen tot een betere beleidsvisie en een beter opleidingsniveau:
- kwaliteit: door een kwaliteitsverhoging in de voorzieningen te realiseren, kan dit van directe invloed zijn op het kind. Kwaliteit als speerpunt opnemen in de beleidsvisie en binnen het opleidingsniveau kunnen ervoor zorgen dat een bepaald kwaliteitsniveau wordt behaald door o.a. meer HBO-ers aan te trekken.
- segregatie: Als er in de beleidsvisie wordt opgenomen dat de aanpak van kinderen van diverse sociaal-culturele en sociaal-economische afkomst decentraal moet komen te liggen, dan wordt er op deze manier verhinderd dat de segregatie teniet wordt gedaan. Daarnaast is er ook het dilemma binnen de opleidingen: hoe zorg je binnen een gemengde groep dat de juiste groep genoeg aandacht krijgt?
Het onderzoek van Jaap Dronkers haakt hierop in. In het NRC Handelsblad van 17 juni 2010 door wordt hierover het volgende gemeld. Gemengde scholen, daar moesten we met z’n allen naar streven. Dat zou in het belang zijn van zowel allochtone als autochtone kinderen. Niets van waar, zegt onderwijssocioloog Jaap Dronkers. Uit onderzoek dat hij vanmiddag presenteerde bij de aanvaarding van de leerstoel International comparative research on educational performance and social inequality aan de Universiteit Maastricht blijkt dat zowel autochtone kinderen als kinderen met een migrantenachtergrond slechtere resultaten behalen op etnisch sterk gemengde scholen dan op etnisch homogene scholen. (http://weblogs.nrc.nl/onderwijsblog/2010/06/17/socioloog-dronkers-gemengde-school-slecht-voor-allochtoon-en-autochtoon/) Dit onderzoek geeft een andere zienswijze weer dan tot nu toe is gehandhaafd. De vraag blijft in alle gevallen ‘hoe’ men het beste aandacht kan geven aan de kinderen die het daadwerkelijk nodig hebben ongeacht sociaal-culturele en etnische achtergrond.
NB. Zie de nieuwsbrief Kleurrijke scholen (zie bijlage) voor commentaar hierop en voor andere visies en onderzoeken.
- Interesse tonen in de leefwereld van ieder kind. Wat is goed voor de ontwikkeling van het kind? Een rijke leefomgeving of kijkt men alleen naar de veiligheid van een kind? Kijk je naar de basisbehoefte van Maslow (zorg/affectie ed. wat een kind nodig heeft) of kijk je ook naar verschillen in waarden? Een kind dat thuis geen waardering krijgt, hoe geef je die wel de ‘juiste’ waardering?Hierin kun je jezelf dwingen om in elk kind iets positiefs te zien. Een kind dat van huis uit bijvoorbeeld nooit de waardering krijgt als hij of zij iets goed heeft gedaan, proberen deze waardering wel te geven als het op het kinderdagverblijf is of de BSO door het geven van complimenten. Op deze wijze kan het kind toch het gevoel van geborgenheid krijgen op een plek buiten zijn of haar huis om.
- Identiteits- en groepsvorming: aan de ene kant hebben kinderen het nodig om deel te nemen en bezig te zijn met het vormen van een eigen groep naar de peergroup. Aan de andere kant is de individuele ontwikkeling buiten de peergroup ook van belang voor de ontwikkeling van een kind, maar op een dusdanige manier dat zij niet te maken krijgen met gezichtsverlies binnen de peergroup.
Presentatie Sanne Huijbregts
Naar aanleiding van haar onderzoek ‘Cultural diversity in center-based child care: differences and similarities in caregivers’ cultural beliefs’. (SCO Kohnstamm, 2009)
Bijgaand de samenvatting uit haar proefschrift.
Abstract
The present study investigated the cultural childrearing beliefs of 116 caregivers from different cultural communities in the Netherlands (Dutch, Caribbean-Dutch, and Mediterranean-Dutch), working with two- to four-year-olds in day-care centers. Cultural childrearing beliefs were assessed with standard questionnaires, focusing on general and daycare-specific individualistic and collectivistic childrearing beliefs. Cultural differences were evident regarding general individualistic and collectivistic beliefs. Both immigrant groups agreed more with collectivistic ideas and less with individualistic ideas than Dutch caregivers. Regarding caregivers’ daycare-specific beliefs, much smaller cultural differences were found. This indicates consensus among caregivers from different ethnic/cultural background on core issues of childrearing in day-care settings. Results further showed that caregivers’ individualistic ideas were best predicted by their cultural community, whereas collectivistic ideas were also predicted by the diversity of caregivers’ close colleagues and their years of experience. These findings demonstrate that caregivers’ childrearing belief systems are in part determined through a prolonged socialization process by the belief systems of their cultural and religious communities, and in part by their professional experience and their colleagues. Discussing childrearing beliefs should therefore become customary both in day-care centers as in caregivers’ professional preparation, to make caregivers more aware of their own and their colleagues’ cultural beliefs. Once aware of their childrearing beliefs, caregivers can make a start in actively discussing pedagogical guidelines, in order te reach a shared approach to childrearing (Huijbregts, 2009).
Vraag: Kun je een dilemma aangeven van kinderen/gezinnen van diverse sociaal-culturele en sociaal-economische afkomst bij (een van) deze mechanismen (verbondenheid, identiteit, diversiteit/beeldvorming, vooroordelen/empathie/binnen-en buitensluiten, wij/zij-mechanismen, ongelijke verhoudingen, macht).
- Het contact met ouders. Sluiten de verwachtingen van ouders en medewerkers op elkaar aan? Ouders kunnen verschillende verwachtingen hebben van het kinderdagverblijf. Het is de taak van de organisatie om te stimuleren hoe er meer ‘partnerschap’ kan ontstaan tussen de ouder en de organisatie. Daarbij dient de kinderopvangorganisatie goed duidelijk maken wat ze wil uit dragen, ‘de kracht’ van de organisatie uitstralen. Hierin heeft men wel te maken met 1) het imago van de sector en 2) welke handvatten heeft een pm-er om dit uit te dragen?
- Empathie. Wat als je je in je bestaan bedreigd voelt? Een leidinggevende kan hierin een spilfunctie vervullen door te benoemen en hoe ermee om te gaan. Bepaalde verhoudingen kunnen nl. door de leidinggevende subtiel worden blootgelegd en de leidinggevende kan ervoor zorgen dat men elkaar hierop aanspreekt. Doordat de leidinggevende subtiel bepaalde verhoudingen weergeeft, kan hij of zij gevoel/empathie tonen naar de verschillende partijen die betrokken zijn. Duidelijk maken dat hij/zij het begrijpt en uiteindelijk ook ervoor zorgen dat de juiste empathie naar het kind wordt geuit door de medewerkers. En het kind zich daardoor minder bedreigd voelt, omdat hij/zij zich begrepen voelt.
- Beeldvorming. Hoe doorbreek je de beeldvorming? Kun je omgeving voor iedereen herkenbaar maken? Hiervoor is een verandering in cognitief denken van belang om bruggen te kunnen bouwen. De media zijn maatstaf momenteel.Het dilemma hierin is dat er in de beeldvorming vaak angst zit, die regeert bijvoorbeeld als men spreekt over de ‘migratiegolf of –tsunami’. De vraag hierbij is, ga je mee met de angsten van de maatschappij of zorg je dat diverse culturen herkenbaar zijn en gewaardeerd worden
- Voordelen gemengd opvoeden. Als men gemengd opvoedt, kunnen kinderen van verschillende sociaal-culturele en sociaal-economische achtergronden bij elkaar over de vloer komen. Op deze manier kunnen zij in aanraking komen met kinderen en hun ouders met een andere achtergrond en leefsituatie. Door bij elkaar thuis te komen, nemen zij kennis van een ander type huishouden waarin zij ook meedoen, meepraten, maar ook conflicten kunnen hebben met elkaar. De visie van kinderen wordt op deze manier verbreed en kan bijdragen tot een meer open houding ten opzichte van andere culturen later in het leven.
- Ambitie. Professionals zouden hogere verwachtingen moeten hebben van het kind en meer kijken naar de talenten van het kind. Als een kind een andere moedertaal heeft dan het Nederlands heeft een pm-er vaak onbewust, ook minder verwachtingen van het kind. Vragen hierin zijn, welke tools zijn er om dit aan te pakken en hoe ga je als pm-er hiermee om?
- Prestaties meetbaar maken. Dit kan alleen als je de prestaties kunt formuleren, want dan kun je het meten. Daarnaast kun je meteen confronteren door meteen te evalueren. Dan pak je het aan en niet bijvoorbeeld een half jaar wachten met de evaluatie.
- Kinderen in armoede komen niet minder in BSO, maar bijvoorbeeld zij nemen wel minder deel aan sport- en vrijetijdsvoorzieningen. Zij kunnen veel baat hebben bij deelname aan bso. Hoe kun je hen er het beste bij betrekken?
|